Jan is bang dat anderen zijn ontdekking willen stelen. Hierdoor wantrouwt hij steeds meer zijn medestudenten en familie. Jan hoort stemmen in zijn hoofd en hij denkt dat de hele wereld een complot tegen hem beraamt. Zijn ouders kunnen zijn verhalen niet meer volgen en verliezen het contact met hem. Ze maken zich grote zorgen. Met de grootste moeite krijgen ze Jan zo ver dat hij contact opneemt met een psychiater.
Als dit uiteindelijk gebeurt, is het resultaat dat Jan ruim een week wordt opgenomen. De arts stelt de diagnose schizofrenie. Hij kan Jan met moeite overtuigen dat hij medicijnen nodig heeft. Na een week medicijnen slikken, vinden de artsen en zijn ouders dat het wat beter met Jan gaat. Toch besluit Jan om de behandeling af te breken. De volgende drie maanden gaat het steeds slechter. Jan eet nauwelijks meer en barricadeert zijn kamer. Uiteindelijk wordt hij voor de tweede keer opgenomen, deze keer gedwongen omdat hij niet wil meewerken. Tijdens deze opname krijgt hij antipsychotische medicijnen en herstelt hij redelijk van zijn psychose.